Checks & Balances
  • Home
  • Webartikelen
  • Achtergronden
  • Blog
  • Multimedia
  • Archief
  • Contact
  • Zakelijk
  • Abonnee worden
Vervolg van een reis door Noord-Korea - Hoofdstuk twee 15/10/2010
5 Comments
 

Het grote beeld

Picture
Mister Ri, mijn gids geeft zachte duwtjes in mijn rug, alsof hij me wil sturen. Hij fluistert ‘Go, go'. We staan op de Mansudae Heuvel in Pyongyang. Het is maandagochtend. Op de eerste dag van mijn bezoek moet ik vrijwillig bloemen leggen bij het bronzen standbeeld van de Grote Leider.


TEKST: Henk Weltevreden

'Go, go,' mompelt mister Ri opnieuw. Voor ons het gigantische standbeeld van Kameraad Kim Il Sung. Achter de Leider, als een landschappelijk decor, een enorm mozaïek van de heilige Paekdu, de Witkop Berg. Het kunstwerk zit vastgeplakt tussen de pilaren van het Museum van de Revolutie. Links en rechts, achter het standbeeld, kaarsrechte en bolgeschoren heesters. Ze groeien in een absolute symmetrie. Hier heerst orde en revolutionaire rust.

Ik moet doorlopen maar niet te snel, statig. We lopen een witte trap op, ik schat zo'n driehonderd meter breed, steeds drie treden, even wachten en dan weer vier stappen plateau, recht vooruitkijken en niet glimlachen. Zwijgen, vooral zwijgen. Ik neem de bos bloemen in mijn andere hand, duw mijn stropdas recht en kijk omhoog naar Il Sung, slechts tientallen meters van ons verwijderd. Mijn zwarte pak zit ongemakkelijk. Het is klam, negen uur in de ochtend. De Zon van de Mensheid staart vanaf de Mansudae Heuvel over een kilometerlang plein. Hij heeft een lange jas aan, de knopen nonchalant open, één hand op de rug. Zijn rechter handpalm wijst vastberaden naar het zuiden, een blik naar Seoul, zo is mij verzekerd.

Vanaf deze plek zag ik de televisiebeelden vijf jaar geleden, in paniek schreeuwende en huilende Noord-Koreanen op hun knieën, ze sloegen hun handen tegen de grond, de verslaggever met een bibberende stem en natte ogen, hij sprak woorden vol leed: ‘Hier zijn de gepijnigde zielen verzameld na het verlies van de Vader en Grote Leider'.

Ineens wil ik keihard schreeuwen. ‘Sparta! Naar voren!' Zo'n knallende echo, hier, op deze plek, op dit moment, maar dan zie ik mijn moeder. Ze geeft de plantjes water, een druppende vensterbank in de Rijnmond. Ze heeft ook een ansichtkaart in haar hand en leest mijn bericht. Ik hou me in.

Mister Ri loopt nu stijf tegen me aan en bepaalt mijn tempo. Ik voel zijn wijsvinger. Kleine prikjes in mijn zij.

‘Drie-en-twintig meter,' fluistert mister Ri, ‘Very high, zeventig ton, brons.' Ik krijg geen kans om het op te schrijven. We moeten doorlopen, langzaam tot vlak voor het Grote Beeld. Mister Ri blijft staan. Ik moet alleen verder en zoek een plekje tussen honderden dankbetuigingen, de kleurrijke bloemen aan de voet van het beeld. Sommige bossen hebben een lint met Koreaans opschrift. Ben ik iets vergeten? Had ik aan een lint moeten denken?        

Als ik me omdraai en terugloop naar mister Ri, staat ineens er een enorme rij militairen vlak voor me, zowel jongens als meisjes, ik schat ze onder de twintig, niet ouder, ik had ze niet horen aankomen, ze stonden er ineens, stilletjes, een enorme brede rij, zo'n gigantische colonne, zeker honderd meter lang tot ver de trappen af, Pyongyang in.
Ze dragen bloemen in hun hand, zwijgen en wachten en masse tot ik klaar ben. Geen glimlach. Mister Ri houdt zijn hand voor mijn fototoestel en duwt me vriendelijk naar de zijkant. Hij zwijgt.

Het programma vanochtend is het Museum van de Revolutie, op nog geen honderd meter van het Grote Beeld. Daar zal ik de Koreaanse geschiedenis leren. De harde strijd tegen het imperialisme, het onrecht, de revolutie en de glorieuze toekomst.

‘Een groot beeld,' zeg ik tegen mister Ri terwijl we het museum inlopen.

‘Heel groot,' zegt hij, ‘heel erg groot. Er zijn vijfhonderd-drie-en-zestig monumenten in Korea voor de Grote Leider.' Hij blijft even staan en wijst naar mijn aantekenboekje. ‘Schrijf maar op. Vijfhonderd-drie-en-zestig, waarvan alleen al drie-en-twintig standbeelden in het Ponchonbo en Musan gebied waar de Onoverwinnelijke Commandant met de IJzeren Wil voor ons vocht tegen de Japanners.'           

Ik noteer, laat het 'm zien en controleer met hem de getallen. ‘Vijf, zes, drie...' Mister Ri knikt en glimlacht, zijn eerste lach op maandag. Ik vraag me hier niet af of de hoogte van het beeld voor ons, die drie-en-twintig meter, iets te maken heeft met het aantal van drie-en-twintig standbeelden in het Musan en Ponchonbo gebied.            

‘Zestig monumenten per provincie,' gaat Mister Ri verder, ‘op de plekken waar de Grote Leider stond en het volk wijze raad en aanwijzingen gaf. Monumenten in elke grote stad, bij fabrieken, mijnen en landbouwcoöperaties. Voor Kim Jong Il zijn er vijftien standbeelden, tien voor zijn moeder Kim Jong Suk en zijn opa Kim Hyong Jik.'
‘Hoeveel militairen?' vraag ik. ‘Daar op die trap?'

‘Dat is een vijandige vraag,' zegt hij en duwt me haastig verder.

‘Hoe oud zijn ze?' probeer ik bescheiden. Hij pakt mijn rugzakje en geeft het af bij de balie van het museum. We zijn klaar voor een historische tocht en stappen de ontvangsthal van de Revolutie binnen.
Dit is trouwens mijn kans. Hier moet ik gegevens kunnen vinden van Hendrick Hamel en Jan Janse Weltevree. Ik wil naar een zaal vol VOC, het liefst met schipbreukelingen, handelslui en kapitalisten. Een vitrine vol feiten uit 1627. Dat wil ik. Juli 1627. Ik hou mijn aantekenboekje in de hand. 

Mister Ri stelt me voor aan een dame. Ze stond al op ons te wachten in haar traditioneel Koreaans kostuum, een lange wijde jurk, net onder haar borst klemt een brede kleurrijke band. Deze specialist in de Revolutionaire Geschiedenis spreekt Engels. Ik heb een nieuwe gids. Mister Ri volgt. 

‘Heeft u een zaal met 1627?' vraag ik. Mister Ri gebaart dat ik moet luisteren, niet vragen. Korea kent alleen maar onrecht, tragisch onrecht. Het is overheerst, vernietigd en altijd aangevallen. Eerst de Mantsjoes, toen de Japanners die door de Grote Leider resoluut het land zijn uitgejaagd en nu weer die Amerikanen, in volle samenzwering met het gehele westerse imperialisme.
Ik voel me schuldig, kijk mister Ri niet aan en schrijf alles op. Dat is het minste wat ik kan doen na schandevol imperialistisch gedrag. 

‘En de VOC?' probeer ik opnieuw, ‘wat deed de VOC in Korea?'

‘Who?' vraagt de dame.

‘De Oost-Indische Compagnie, ze zijn gestrand op het Quelpaert eiland, Cheju-do, de eerste westerlingen, dat was in 1627, op de zuidkust van Zuid-Korea.'

‘Where?'

‘In Korea,' corrigeer ik. ‘In het zuiden, in bezet Korea.'

‘No not. Not possible,' zegt ze kortaf. ‘No one been there.'

‘In 1627. Drie mannen. Hollanders. Ze werden gevangen genomen en voor de koning geleid.'

‘Onmogelijk,' zegt mister Ri. ‘Hollanders?' Hij moet ineens smalend lachen. Ze lachen allebei, de dame en mister Ri. Ik schuif het potlood tussen mijn dichtgeslagen aantekenboekje.

‘Gezwets,' zegt mister Ri. ‘Uw houding is een imperialistische aanval. Pure onzin, dat zijn vast Amerikanen geweest. Genoeg. Kom, we gaan verder.'

Voor ons een maquette van Korea op een tafel, een kaart vol heuvels, een blauwe zee. Ik loop er heen en wijs Cheju-do aan, Quelpaert eiland, de plek waar Jan Janse Weltevree aan land ging. ‘Daar ging-ie water halen. Kijk daar, op dat punt!' Ik kras een kruimel grafiet op het strand van Quelpaert, daar op het mulle strand van Hangguch'i werden zijn eerste voetstappen gewist door aanrollende golven. Ik kan hen niet overtuigen. Wat ik ook zeg, het helpt niets, mister Ri kijkt verveeld de andere kant op. ‘Hun maats voeren verder toen het schip los kwam. Dat was de Ouwerkerck, een jacht van de VOC. Er was ook een kanonnier aan boord, ook hij ging naar de koning in Seoul, in 1627.' Mister Ri vindt het wel genoeg en trekt aan mijn mouw. We moeten verder. In de volgende zaal staan veel kanonnen, die zal ik wel bedoelen. Ik moet mee. Ik noem nog wat feiten. Mister Ri is Oost-Indisch doof. De dame blijft luisteren, vol ongeloof.
Ik had het kunnen weten. Met name hier, maar zeker niet minder in het Westen, zijn veel feiten fictief en is fictie vaak tot feit verheven. Feiten zijn betekenisloos zonder context. In het Museum van de Revolutie, in dit warenhuis vol oorlog, is niets van de 17e eeuw. Het is van geen belang voor de Noord-Koreaan, die periode, de VOC deed geen zaken in het land van Kim. Zware onderdrukking en revoluties, daar gaat het om in dit gebouw. De gang van de geschiedenis moet helder zijn, zonder onbruikbare details of sappige anecdotes, het historisch verloop moet een duidelijk doel hebben. Hier is geschiedenis één grote manipulatie van feiten, een verdraaiing van de historie om het communisme te rechtvaardigen, een herschrijving tot de heilstaat. In deze zalen wordt een fictieve historische continuïteit gecreëerd.

Kinderen huppelen hand in hand langs wanden vol feiten, ze horen het verhaal van de Juche, de ideologie waarin iedereen hetzelfde wil denken en handelen, een fijnmazig net, een systeem, een toonbeeld van kracht. Hier heeft men vrees voor alles wat vreemd is. Diegene die afwijkt valt buiten de gemeenschap en is direct antisociaal. Hier verzamelt men een beeld zonder variatie, zalen vol, en ook aan de wanden tot aan het plafond. Hier is Noord-Korea een Idee.

‘En Nam? Generaal Nam?' vraag ik. ‘Heeft u daar een zaaltje van?'

‘Who?' vraagt de dame. Mister Ri staat een verderop bij een raam. Hij rookt een sigaret.

‘Nam, Nam Il,' ga ik verder, ‘de generaal die de wapenstilstand tekende in juli 1953.'

‘July? Armistice?' De vrouw kijkt me ongelovig aan. Mister Ri heeft me gehoord en komt spontaan aansnellen. ‘Waar wilt u heen?' vraagt hij. ‘Welke zaal?' ‘De Middeleeuwen,' probeer ik.

‘Niet nodig,' zegt mister Ri. ‘We moeten verder.' Hij duwt ons vriendelijk naar Zaal 1.

In een schamel verlichte vitrine rust een schedel op een rode viltdoek, de breuken zijn vakkundig bijeengeplakt. Voor het puntgave gebit ligt een kartonnetje met Koreaanse tekens.

‘De eerste mens,' zegt mister Ri trots. De dame luistert. Mister Ri neemt de leiding.

‘Meer dan één miljoen jaar oud.' Hij wijst naar een grote wereldkaart boven de vitrine. ‘En zo heeft de mens zich verspreid, tot in alle hoeken.'

Vlak onder Pyongyang, daar waar zo ongeveer Mangyongdae, het geboortehuis van de Grote Kim moet liggen, prijkt een trotse Rode Punaise. Vanaf dat punt zijn lange rode lijnen getrokken, de wereld in. Een dun lijntje naar Japan, een ander naar het westen Azië in, ook een lange boog tot net voorbij Moskou en tenslotte via India en Iran vliegt de rode pijl over de Afar woestijn in Ethiopië en eindigt spontaan in het oerwoud van Oost-Afrika, een plons in Lake Turkana, de Grote Riftvallei met nog een stippellijn, een late uitloper tot aan de rand van de Kalahari woestijn. Tot daar verspreidde zich de eerste mens vanuit Pyongyang. Geen verder pijlen naar het westen. Europa en Washington zijn vergeten. Dat kwam later. Dat is een ander verhaal.
‘Eén miljoen?' vraag ik. ‘De eerste mens, weet u dat zeker? Niet honderd-dertigduizend jaar? Het was toch op het eind van de laatste IJstijd, de eerste homo sapiens? En Lucy dan, de rechtoplopende hominide, 3,18 miljoen jaar geleden? ' Mister Ri begint te lachen.

‘Onzin, allemaal onzin,' zegt hij snuivend, ‘ziet u wel, de Amerikanen proberen u van alles wijs te maken. Kijk, dit is de originele, de homo kimensis ilsungthropus robustus, meer dan één miljoen jaar oud. Kom we gaan verder.'
Bij alle artefacten, bij elk schilderij, en op iedere vitrine zit een koperen bordje met datum. Opvallend, omdat het vaak dezelfde data zijn in één zaal.

‘Hier stond de Grote Leider,' zegt mister Ri, ‘kijk hier, voor deze vitrine, op deze datum. We houden dat bij zodat iedereen weet wanneer hij het museum heeft bezocht.' Hij tikt met zijn vinger op het koperen bewijs en kijkt me triomfantelijk aan.

Ik probeer wat data op te schrijven. Mister Ri loopt even weg naar het toilet. Hij heeft niet alles onder controle. De dame wijst naar mijn aantekenboekje, ze vraagt om een leeg papiertje. ‘VOC, how do you write? When?' Ik geef haar wat letters en cijfers, ze leest mee. ‘When?' Ik onderstreep 1627 op het blaadje.‘How much?' Mister Ri komt snel aangelopen. Ze frommelt het briefje vlug onder haar roze brede band. Jan Janse Weltevree is eindelijk in Noord-Korea, heimelijk verscholen in een wijd kostuum, wandelend door gangen en zalen vol Revolutie.

's Avonds laat in het hotel klopt Walathara op mijn deur. Hij heeft twee glazen in zijn hand, de fles is al open. Het is na elven. De televisie is uit. ‘De vierde keer,' zegt hij, ‘dat was de vierde keer in Mangyongdae. Nooit meer!' ‘De eerste mens is daar geboren,' zeg ik. ‘Zeker, zeker, maar ik ga niet terug, ik heb het wel gezien die hut.’ ‘En de minister?' ‘Vijf keer, die heeft het al vijf keer gezien. De man blijft enthousiast.'

Walathara zet de fles whisky op mijn nachtkastje en smijt zijn slippers op de grond.

‘Van Mangyongdae uit is de wereld bevolkt,' zeg ik, ‘de gehele wereld, dat is pas revolutie.'

‘Mij best,' mompelt Walathara, ‘ze gaan hun gang maar.'

‘Dat zo'n dorp zo'n impact kan hebben, tot diep in Afrika, en dat meer dan één miljoen jaar voor Christus...’ ‘Huh, wat?' reageert Walathara. ‘Voor Christus? Ik vind het best. Vier keer is genoeg. Ze kunnen toch dat toeristenprogramma wel eens veranderen. Naar een kustplaats of zo. Lekker zwemmen? Ik kom niet voor niets uit Sri Lanka.'


Het boek van Henk Weltevreden is getiteld De Stralende Ster van Paekdu en zal binnenkort verschijnen. Voor meer informatie, ga naar www.henkweltevreden.nl.
 


Comments

Daan
15/10/2010 6:53pm

Wat een heerlijk verhaal! Kan niet wachten op hoofdstuk 3 :)

Reply
Victor
16/10/2010 12:14pm

Het doet me plezier dat die dame van het museum wèl wil weten wat Henk nu bedoelt met dat verhaal over de VOC. Nieuwsgierigheid sterft blijkbaar niet uit na meer dan een halve eeuw indoctrinatie. Ik hoop dat er ook nog genoeg Koreanen zijn die niet klakkeloos accepteren dat Kim Il Sung hemel en aarde heeft geschapen.

Reply
Marjon
19/10/2010 10:49am

Daan, voor hoofdstuk drie zul je toch echt het boek moeten kopen. Lijkt mij een aanrader!

Zal eens informeren wanneer de verschijningsdatum is.

Reply
pim
04/11/2010 10:46am

prachtig verhaal. Ik hoor het je vertellen. Foto's ook chique!

Reply
Thea
04/11/2010 5:06pm

Eindelijk is het duidelijk: god komt uit Korea en de eerste mens ook. Dat we daar niet eerder achter gekomen zijn: humor!

Reply



Leave a Reply

    Archief

    April 2011
    Oktober 2010
    Juni 2010
    Maart 2010

    Bookmark and Share

    RSS Feed


Disclaimer | Checks & Balances is het magazine van Studievereniging Clio